OESO: Kwalificatiefunctie Bekostigd Hoger Onderwijs onder druk

Een interessant verslag in Scienceguide (28 november 2018) dat in feite gaat over de wijze waarop het hoger onderwijs haar onderwijsportfolio cq aanbod moet afstemmen op de toekomst. Voor NIDAP een bevestiging dat goed portfoliomanagement niet los kan worden gezien van geavanceerde analysetechnieken van arbeidsmarktontwikkelingen.

De kwalificatiefunctie van het hoger onderwijs staat onder druk. Dat stelt OESO-directeur Dirk van Damme. Het hoger onderwijs moet er daarom alles aan doen om het maatschappelijke vertrouwen hoog te houden.

 

Vorige week hield Van Damme een gloedvol betoog bij de Vereniging van Toezichthouders voor Hogescholen. Hij was vele jaren de kabinetschef van de Vlaamse onderwijsminister, Frank Vandenbroucke. Momenteel is hij hoofd van de Afdeling Innovation Measuring Progress van de OESO in Parijs.

Van Damme schetste het beeld aan de aanwezige toezichthouders van het hoger onderwijs dat aan ongekende veranderingen onderhevig is. Tegelijkertijd waarschuwt hij wel voor ‘modieus gepraat’ en waakt hij er voor het onderwijs helemaal om te gooien. Wel moeten hogescholen hun onderwijs aanpassen, ze leiden nog te veel op voor routinematige arbeid.

Kennisniveau neemt af

Van Damme ziet dat de afgelopen decennia het aantal hoger onderwijs gediplomeerden enorm is gestegen. Tegelijkertijd is er wel een afname van het kennisniveau van de samenleving. Dit is uitermate zorgwekkend. Ook de kwalificatiefunctie van het hoger onderwijs, het enige monopolie dat universiteiten en hogescholen hebben, staat in de VS al sterk onder druk. Dit waait ook over naar Europa, zo waarschuwt de OESO-onderzoeker.

Allereerst had Van Damme een waarschuwing van algemene aard aan het adres van de toezichthouders. “Toezicht moet niet aan de verleiding tegemoetkomen dat het een intrinsiek conservatieve activiteit is. Door te zeggen: ‘dingen veranderen, maar misschien was het vroeger toch beter.’ Toezicht moet anticiperen op wat komt, en nagaan waarin hogescholen tekortschieten. Daar moeten toezichthouders op voorbereid zijn.”

Tegelijkertijd moet men ook beducht zijn voor makkelijke oplossingen in een dergelijk beleidsdebat. “Het is natuurlijk een platitude dat de maatschappelijke context sterk veranderd. Daar worden ook vrij goedkope verhalen over verteld. Ik vind persoonlijk het verhaal: ‘zoveel beroepen gaan verdwijnen binnen zoveel jaar’, een plat verhaal. De Interessante ontwikkelingen doen zich niet voor op het niveau van beroepen, maar op het niveau van taken die mensen doen. Beroepen zijn daar een hele slechte proxy voor.”

Een ongelooflijke historische versnelling

De OESO-onderzoeker die alle hoger onderwijssystemen van de 31 welvarende OESO-landen vergelijkt ziet een ongekende toename van het aantal hoger onderwijs gekwalificeerden. “Wat we in het hoger onderwijs mondiaal zien, is in de eerste plaats een geweldige expansie. Ik hamer daar iedere keer op. Het is zo evident dat we dit aannemen als iets dat historisch dat altijd zo geweest is. Nee dat is niet zo. We maken een ongelooflijke historische versnelling mee, in de hoeveelheid kwalificaties.”

“Binnen de OESO-landen zijn we in de leeftijdsgroep van 25 tot 34-jarigen die uit het hoger onderwijs komen gestegen van 26% in het jaar 2000 tot 47% in het jaar 2020 is onze schatting. Die tendens valt niet stil. Ik ben niet iemand die gelooft in een soort van verzadiging van het hoger onderwijs. Er is natuurlijk een geweldige inhaalbeweging bezig in andere delen van de wereld. India en China hebben niet de luxe om die transitie binnen een paar decennia te maken. Die willen dat binnen tien jaar doen. Die investeren momenteel geweldig in de participatie en kwalificatie in het hoger onderwijs.”

Te veel focus op voorgekauwde taken

Van Damme had ook een waarschuwing aan het adres van hogescholen en het onderwijs dat zij aanbieden. “Wat er heel snel uitgaat is een routine-cognitieve arbeid. Dat is naar mijn gevoel één van de grote boodschappen aan het adres van hogescholen. Naar mijn gevoel bereiden hogescholen nog altijd voor op procedurele-cognitieve arbeid. Op taken die voorgeschreven en voorgekauwd zijn. Taken die in handboeken zitten en in procedures. Het zijn net die taken die gaan verdwijnen. Die taken worden heel gemakkelijk gerobotiseerd. Dat heeft niets te maken met hoog- of laagopgeleiden.”

Dat laaggeschoolde arbeid geen toekomst heeft vindt Van Damme dan ook een onterechte constatering. “Het idee dat laaggeschoolde arbeid verdwijnt en hooggeschoolde arbeid de toekomst heeft is een veel te simplistische en foutieve voorstelling van de transitie die we nu meemaken. Er zijn hooggeschoolde beroepen die het heel lastig gaan krijgen.”

Kijk bijvoorbeeld naar juristen, zegt Van Damme. “Het voorbeeld in het internationale onderzoek zijn juristen. Waarvan gezegd wordt dat 75% tot 80% van wat juristen doen heel gemakkelijk met de huidige stand van kunstmatige intelligentie geautomatiseerd kan worden. Die andere 20% -25% van de taken juist niet.”

“Dan gaat het over taken als oordeelsvorming, ethisch gebaseerde oordelen vellen. Hele complexe zaken die met elkaar in conflict komen, om daar knopen in door te hakken. Dat soort taken blijven. Maar jurisprudentie opzoeken, bijhouden en analyseren. Zelfs zeer complexe tekstanalyses kunnen vandaag de dag met kunstmatige intelligentie georganiseerd worden. Er zijn dus ook bij hooggeschoolde beroepen veel taken die verdwijnen.”

Om hier mee om te gaan moet het onderwijs zonder al te revolutionair te zijn wel een versnelling doormaken, zegt Van Damme. “Ik ben niet iemand die zegt: nu moet direct alles op de schop, dan moet je dat allemaal heel snel gaan doen. Er zijn heel veel modieuze en een beetje paniekerige manieren van reageren. Maar het is duidelijk dat het onderwijs wel een versnelling nodig heeft in de manier waarop ze zal voorbereiden op een nieuwe economische context.”

Meerwaarde van diploma neemt af

Ook de OESO is er pas vrij recent achter gekomen dat de maatschappelijke meerwaarde van een hoger onderwijsdiploma in relatieve zin aan het afnemen is. “De meerwaarde van een hoger onderwijs kwalificatie blijft zeer hoog. Het probleem is een beetje – dat zijn we ons bij de OESO recent ook pas gaan realiseren – dat dit gemeten wordt als een relatieve meerwaarde. Als het verschil in inkomen van een hooggeschoolde in vergelijking met dat van een middengeschoolde.”

“Dat verschil blijft groot, maar we zijn ons gaan realiseren dat het verschil groot blijft, omdat de middencategorie aan het zakken is. Dat is de hele problematiek van de middenklasse. Wij zien het internationaal heel rap gebeuren. Het zijn de middengeschoolde beroepen die verdwijnen, niet zozeer de laaggeschoolden. Dat is toch wel een zeer merkwaardig en zorgwekkende ontwikkeling. Deze polarisatie op de arbeidsmarkt tussen deze twee extremen leidt onvermijdelijk tot grote maatschappelijke spanningen. Sommige sociologen zeggen dat de verkiezing van Donald Trump en Brexit daar eigenlijk op terug te brengen zijn.”

Ook is er een toenemende kloof tussen het diploma dat mensen behalen en de daadwerkelijk competenties die daarmee bereikt worden. “Ik maak mij grote zorgen over de toenemende discrepantie tussen kwalificatie en competenties. We hebben de kwalificatiegraad van de bevolking ongelofelijk opgedreven. Dat heeft een enorme maatschappelijke investering gevergd. Ik ben daar niet tegen, dat is een goede zaak geweest. Wij zien tegelijkertijd dat het competentieprofiel van de beroepsbevolking niet is veranderd. Dat is wel een beetje raar.”

“We hebben die geweldige input van diploma’s gehad in de arbeidsmarkt, maar de competentieverdeling van de beroepsbevolking is sinds de jaren ‘90 eigenlijk ongewijzigd gebleven. Er zijn dus veel meer hooggeschoolden, maar je ziet niet dat de verdeling van de competenties is gewijzigd. Integendeel, als we bijvoorbeeld kijken naar de kennis van basis gecijferdheid dan is dat achteruitgegaan op het hoogste niveau. Dat is heel merkwaardig en zorgwekkend.”

Zorgwekkende competentieprofielen in Groot-Brittannië

Een hoger onderwijsdiploma hoeft niet te betekenen dat mensen niet ongeletterd kunnen zijn. Kijk bijvoorbeeld naar het Verenigd Koninkrijk, zegt Van Damme. “In Nederland en Vlaanderen is dat nog wel vrij positief, maar in andere landen beschermt een hoger onderwijskwalificatie niet tegen lage basiscompetenties. Neem bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk, waarvan we allemaal denken dat het een fantastisch hoger onderwijsbestel heeft. Vergeet het, het VK heeft een paar topuniversiteiten, maar als bestel functioneert het helemaal niet goed. De competentieprofielen in het VK zijn zorgwekkend.”

Ondanks Bologna zijn er op dit punt in Europa hoger onderwijsinstellingen die het slecht doen. “In sommige OESO-landen is 10% a 15% van de mensen met een hoger onderwijs kwalificatie bijna ongeletterd. Dat is zorgwekkend. Ondanks Bologna en de retoriek om tot een min of meer gelijke spreiding van leeruitkomsten te komen in Europa, zien we in onze data geweldige verschillen in de leeruitkomsten. Vlaanderen, Nederland, Finland en Japan zitten aan de top, maar er zijn landen in Europa zoals Portugal en Spanje waar een aantal universiteiten en hogescholen het echt slecht doen.”

Bekostiging als incentive om meer mensen op te leiden

Een ander gevaar dat dreigt is de overkwalificatie van mensen op de arbeidsmarkt. “Vlaanderen en Nederland komen hier wederom relatief goed uit. Dat zit hier zo rond de 10% a 15% van mensen die zeggen: ‘ik heb een diploma dat te hoog is voor het werk dat ik doe. ‘10% – 15% beschouwen we als niet echt problematisch, omdat je ook moeten zorgen dat er een bepaalde mobiliteit is op de arbeidsmarkt. 20% of 30% is wel erg problematisch en dan zit je in landen die veel geïnvesteerd hebben in de expansie van kwalificatie, maar daar niet de vruchten van kunnen plukken. Mensen die wel goed gematcht zijn tussen diploma en arbeid hebben ook hogere competenties. Mensen die overgekwalificeerd zijn hebben lagere competenties, terwijl ze wel een hoge kwalificatie hebben.”

Op dit punt sloeg een toezichthouder aan van de AHK, Jan Anthonie Bruijn. Hij vroeg of er daarom niet te veel hoogopgeleiden zijn. “Als toezichthouder heb je met de continuïteit van de instelling te maken. De bekostiging is nog steeds voor een groot deel op basis van het aantal studenten. Zou de oorzaak misschien kunnen liggen in het bekostigingssysteem, dat toch een incentive heeft om meer mensen op te leiden? Dat zou misschien kunnen leiden tot overkwalificatie en daarmee ook tot het verlies aan competenties. Zou je dan niet als toezichthouder misschien moeten consolideren bij een bepaalde omvang van een hogeschool? In plaats van die groei altijd wel mooi te vinden.”

Van Damme antwoordde dat hij er altijd voorstander van blijft om mensen zo hoog mogelijk te kwalificeren. “Dit is een hele goede vraag, maar ik aarzel om daar ‘ja’ op te zeggen. We zitten in Vlaanderen en Nederland niet in een fase zoals in veel andere landen in Europa dat de verhouding tussen kwalificaties en competentie problematisch wordt. Ik ben altijd nog een voorstander van het verder opdrijven van de participatie en kwalificatie in het hoger onderwijs. Maar je komt wel geleidelijk in een situatie waarbij de voordelen puur gesitueerd zijn bij individuen, die met elkaar in competitie gaan op de arbeidsmarkt. Waarbij de middengeschoolde verliest. Waar de maatschappelijke meerwaarde van die investering minder wordt. Dat is het individualiseren van de winst en het socialiseren van het verlies.”

Geen vertrouwen meer in hoger onderwijs

Aan het slot van zijn betoog kwam de OESO-onderzoeker ook nog met een aantal concrete en actuele bedreigingen voor het hoger onderwijs. Hij verwees daarbij naar het bericht van Ernst & Young van een paar jaar geleden. “Dit heeft mij geschokt toen ik het las. Ernst & Young zegt: ‘wij gaan niet meer naar kwalificaties kijken wanneer wij mensen rekruteren. Dat is nadien gevolgd door een aantal andere mondiale bedrijven die zeggen: ‘eigenlijk vertrouwen wij hogescholen en universiteiten niet meer, dat zij mensen kwalificeren voor competenties die wij belangrijk vinden.’”

Het is juist het verzorgen van kwalificaties dat raakt aan het bestaansrecht van bekostigde universiteiten en hogescholen. “Dit is iets wat mij ongelofelijk veel zorgen baart, omdat die kwalificatiefunctie natuurlijk heel erg belangrijk is. Het is zo ongeveer het enige monopolie dat hoger onderwijsinstellingen nog hebben. Een monopolie op onderzoek en innovatie en op kennisoverdracht is er natuurlijk niet, maar op kwalificeren wel. Dat kwalificeren is een opdracht die hoger onderwijsinstellingen van de staat krijgt. Wanneer dat vertrouwen er niet meer is, dan kom je toch in de problemen.”

Dat de universiteiten en hogescholen verdwijnen door digitalisering daar gelooft Van Damme niet in. “Ik houd absoluut niet van de these dat universiteiten en hogescholen zouden verdwijnen. Dat iedereen alleen maar MOOC’s zou volgen, dat is hele modieuze en oppervlakkige praat. Het is natuurlijk wel zo dat leren een menselijke activiteit is die niet gebonden is aan een bepaalde plek of aan een bepaalde tijd.”

“Hogescholen en universiteiten zijn nog altijd in een heel voordelige positie, omdat ze als ze het goed doen hele intensieve en rijke leeromgevingen aanbieden. Terwijl in heel veel andere leeromgevingen heel veel ruis zit op dat leren. Maar de vraag is: zal dat zo blijven? Digitalisering en vermenigvuldiging van de mogelijkheden om te leren zal instellingen verplichten om effectiever te zijn. Als we naar de leerproductiviteit kijken in hogescholen en universiteiten dan is die zeer laag. Het voordeel is dat die elders nog lager is. Je moet eigenlijk de efficiency van leren in institutionele omgevingen omhoog weten te brengen.”

Toch is dit nog geen reden om achterover te leunen waarschuwt Van Damme tegen de toezichthouders in het hbo, integendeel. “Er zijn kapers op de kust. Het bedrijfsleven zeker in de Verenigde Staten, maar ook meer en meer in Europa bereiden zich erop voor om dingen zelf te gaan doen. De hele ontwikkeling van open badges in de VS komt naar Europa overwaaien, daar heb ik geen twijfels over.”

“Open badges kun je nu al op LinkedIn krijgen. In de Verenigde Staten kijken ze steeds minder naar een diploma, maar ze verzamelen badges die je op verschillende manieren kunt krijgen. Het kan zijn bij opleidingsverstrekkers, het kan zijn bij universiteiten en hogescholen, maar het kan ook door werkplekleren. Ze verzamelen die badges in digitale portfolio’s. Ze gaan met dat digitale portfolio naar de werkgever. Deze werkgever zal misschien vragen welke universiteit je hebt bezocht, maar niet welk diploma je hebt. Die evolutie naar microcredentials waar sommige instellingen op inspelen door ‘nano-degrees’ van kleine pakketjes te verstrekken. Ik maak mij grote zorgen over de kwaliteit daarvan, maar je ziet dat die in snel tempo uitbreiden.”

Toezicht op de inhoud

Van Damme waarschuwde de toezichthouders dat er een vertrouwenscrisis afkomt op het hoger onderwijs. “Mijn conclusie voor het toezicht is – niet dat het al zover is in Nederland – dat er wel een soort van crisis van vertrouwen afkomt op het hoger onderwijs, daar ben ik van overtuigd. Het vertrouwen van werkgevers en grote maatschappelijke entiteiten in het hoger onderwijs, daar wordt aan geknabbeld. Dat is hier en daar al aan het verbrokkelen. Je kan een kwalificatie van mensen alleen maar veilig houden, als je dat maatschappelijke vertrouwen in het hoger onderwijs hoog kan houden.”

En daar speelt toezicht en de taakopvatting van toezichthouders een belangrijke rol in zegt de OESO-onderzoeker. “Ik ben het absoluut oneens met de evolutie van het toezicht naar het interne management. Het is heel erg belangrijk dat het toezicht zich op de inhoud blijft focussen. Op wat er gebeurt in hogescholen en universiteiten en de competenties die mensen daar ontwikkelen. Werkgevers hebben geen belangstelling voor instellingen die hun interne procedures op orde hebben. Werkgevers moeten er van overtuigd zijn dat instellingen die studenten afleveren, dat de competenties van die studenten aan de maat zijn.”

 

NIDAP onderzoekt bevestigt een aantal van de bovengenoemde ontwikkelingen.

NIDAP constateert al enkele jaren in haar longitudinale onderwijsonderzoeken onder organisaties/werkgevers en lerende professionals de volgende ontwikkelingen die van invloed zijn op de kwalificatie status van hogescholen en universiteiten:

  • er wordt steeds meer geleerd binnen organisaties, zowel coaching on the job, werkplekleren als digitaal.
  • organisaties investeren meer in interne academies en interne opleidingen. Er wordt minder gebruik gemaakt van externe ‘open’ opleidingsinstituten.
  • het erkende diploma van bekostigde hoger onderwijsinstellingen is nog steeds belangrijk maar de waarde ervan daalt ten opzichte van commerciële opleiders
  • het belang van skills als denkvermogen, onderzoekend vermogen neemt verder toe.

Tevens zien wij in onze arbeidsmarktanalyses dat werkgevers voor functies waarbij een middelbaar opleidingsniveau voldoende zou moeten zijn, ook  hoger opgeleiden worden uitgenodigd om te solliciteren. Het is denkbaar dat het benodigde denkniveau bij de midden-beroepen steeds meer naar boven opschuift en dat over enkele jaren een HBO-diploma geldt als een soort startniveau. Aanbieders van MBO-4 onderwijs, AD’s en Bachelors kunnen hierop anticiperen in de vorm van doorlopend leeraanbod, in voltijd- en deeltijdvorm.

No Comments Yet.

Leave a comment